Het kabinet heeft aangekondigd dat vleesbedrijven vanaf halverwege 2028 geen uitzendkrachten meer mogen inhuren. Het verbod moet een einde maken aan wat de Arbeidsinspectie in een rapport van dezelfde dag omschrijft als misstanden met “een structureel karakter”: onderbetaling, illegale tewerkstelling, terugkerende arbeidsongevallen, hoge huisvestingskosten, intimidatie en ontslag op staande voet.
Minister Vijlbrief van Sociale Zaken en Werkgelegenheid trekt de knoop door nadat jarenlang overleg met de sector volgens hem niet tot voldoende verbetering heeft geleid. Hij had de sector tot 15 juni de tijd gegeven om orde op zaken te stellen; die deadline is verstreken zonder de door hem geëiste vooruitgang.
Vanuit de sector komen boze reacties. Brancheorganisatie VleesNL overweegt juridische stappen en noemt de maatregel “draconisch”, die volgens de organisatie vooral “het eigen onvermogen van de overheid” aantoont om malafide praktijken aan te pakken. Pluimveebrancheorganisatie Nepluvi zegt “met grote verbazing en teleurstelling” te reageren, omdat volgens haar de hele sector over één kam wordt geschoren terwijl er al verbeteringen zijn doorgevoerd. Uitzendbrancheorganisatie NBBU noemt de maatregel “disproportioneel”: “Het pakt niet alleen de rotte appels aan, maar treft de hele branche.”
Achtergrond
Volgens Vijlbrief zijn er sinds 2010 al 29 gesprekken met de sector gevoerd, zonder dat dit tot de noodzakelijke vooruitgang leidde. Ook zijn voorganger Van Hijum werkte al aan een verbod. De Arbeidsinspectie registreerde tussen 2023 en begin 2026 bijna 400 meldingen. In het rapport staan concrete voorbeelden: een medewerker met meerdere hernia’s die toch dagelijks dozen moet sjouwen zonder dat het uitzendbureau naar passender werk zoekt, en een Slowaakse arbeidsmigrant die gewond raakt aan een machine en pas anderhalf uur later naar het ziekenhuis wordt gebracht, waarna de wond ontsteekt en een plastische operatie nodig blijkt.
Het personeel in de sector bestaat volgens de bronnen veelal uit arbeidsmigranten die via uitzendbureaus werken in bijvoorbeeld slachthuizen. Nederland volgt met het verbod het voorbeeld van Duitsland, waar een soortgelijke maatregel al enkele jaren geleden is ingevoerd. De Duitse overheid greep destijds in tijdens de coronatijd, toen grote clusters van virusbesmettingen in de vleesindustrie de slechte arbeidsomstandigheden blootlegden. Voor werk als slachten en snijden mogen Duitse vleesbedrijven sindsdien geen uitzendkrachten meer inhuren.
Het bredere verband
Een directe arbeidsrelatie tussen werknemer en vleesbedrijf heeft volgens Sonja Bekker, hoogleraar arbeidsmarkt en sociaal beleid aan de Universiteit Utrecht, duidelijke voordelen: beter toezicht op werktijden, minder onbetaalde overuren, netjes geregelde lonen en sociale verzekering. Over de Duitse ervaring zegt zij: “Over het algemeen hebben mensen daar betere arbeidsvoorwaarden gekregen. Het leidde ook tot verkleining van het aantal ongevallen op het werk. Er blijven wel knelpunten bestaan, maar de schaal neemt af.”
Toen Duitsland het verbod invoerde, ageerde de vleesindustrie daar fel en waarschuwde dat de prijs van vlees door hogere arbeidskosten met 10 tot 20 procent zou kunnen stijgen. Dat doemscenario is niet uitgekomen: vlees is in Duitsland wel duurder geworden, maar die stijging loopt niet sterk uit de pas met de prijsstijging van andere producten. Dezelfde vrees voor prijsstijgingen klinkt nu ook in Nederland vanuit de sector en de uitzendbranche, die bovendien wijzen op een mogelijk “ongelijk speelveld” met sectoren die wel met uitzendkrachten mogen blijven werken. De Duitse casus laat zien dat de zorgen over kosten weliswaar reëel bleken, maar minder ingrijpend uitpakten dan vooraf gevreesd, terwijl de arbeidsomstandigheden wel verbeterden.
Wat we nog niet weten
Onduidelijk is nog hoe het kabinet de overgang naar 2028 concreet gaat begeleiden en welke gevolgen het verbod heeft voor bedrijven die nu sterk afhankelijk zijn van uitzendkrachten. Ook is niet bekend hoe de aangekondigde juridische stappen van VleesNL zich zullen ontwikkelen en of deze het verbod kunnen vertragen of aanpassen. De brancheorganisaties stellen dat al verbeteringen zijn doorgevoerd, maar de bronnen bevatten geen cijfers die dat weerleggen of bevestigen ten opzichte van de bijna 400 meldingen bij de Arbeidsinspectie. Ten slotte bevestigt de ministerraad het besluit naar verwachting pas de dag na de eerste berichtgeving, waardoor de precieze formulering en reikwijdte van het verbod nog niet volledig vaststaan.
