Het Centraal Bureau voor de Statistiek meldt dat de gemeten inflatie de afgelopen tweeënhalf jaar rond de 3 procent schommelt. Consumenten schatten diezelfde inflatie op ongeveer 8 procent, bijna drie keer zo hoog. Voor de energiecrisis van 2022 was dat verschil veel kleiner, en de huidige gevoelsinflatie is ongeveer twee keer zo hoog als destijds, terwijl de feitelijke inflatie inmiddels weer op het niveau van voor de crisis ligt.
Die kloof is niet alleen een kwestie van perceptie. Cijfers van het Centraal Planbureau over inkomenseffecten laten zien dat de werkelijke koopkrachtdruk voor bepaalde groepen dichter bij de gevoelde 8 procent ligt dan bij het landelijke gemiddelde van 3 procent.
Hoe het CBS de inflatie meet
De consumentenprijsindex, de CPI, meet de prijsontwikkeling van vrijwel alle consumptieve bestedingen in Nederland via grote steekproeven. Het CBS benadrukt dat de samenstelling van waargenomen prijzen maandelijks verandert; er is dus geen vast mandje producten dat continu wordt gevolgd. Dat maakt de CPI een landelijk gemiddelde over alle consumenten, dat verschillen in consumptiepatroon en prijsdruk tussen huishoudens verhult.
Een voorbeeld illustreert hoe groot het verschil tussen cijfer en beleving kan zijn: in juli 2023 was de feitelijke inflatie 4,6 procent, terwijl consumenten destijds dachten dat die op 15 procent lag. Consumenten schatten inflatie sowieso structureel hoger dan de gemeten waarde, maar dat basisverschil is sinds de energiecrisis van 2022 sterk vergroot, aldus het CBS.
Wie de prijsstijging het zwaarst voelt
Volgens het CPB kan een doorsnee huishouden bij aanhoudend hoge energie- en brandstofprijzen in de periode 2026-2027 ongeveer 1 tot 2 procent van het besteedbaar inkomen verliezen. Voor huishoudens met een laag inkomen en een hoog energieverbruik kan dat verlies oplopen tot circa 6 procent, meldt het CPB.
Die spreiding is aanzienlijk. Waar het gemiddelde huishouden dus relatief beperkt wordt getroffen, komt de werkelijke koopkrachtdruk voor kwetsbare groepen veel dichter bij de gevoelde 8 procent dan het landelijke CPI-gemiddelde van 3 procent suggereert.
Een tweede aanwijzing komt uit onderzoek van Economisch Statistische Berichten naar de zogeheten PLI-index, die de prijsontwikkeling van primaire levensbehoeften volgt: wonen, energie en voeding. Tussen 2014 en 2021 lag de PLI-inflatie gemiddeld op 1,7 procent, tegenover 1,3 procent voor de reguliere CPI-inflatie. Dat structurele verschil van 0,4 procentpunt kwam vooral door woonlasten, en toont dat basisbehoeften al vóór de energiecrisis sneller duurder werden dan het landelijke gemiddelde.
- CBS: gemeten inflatie circa 3 procent, gevoelsinflatie circa 8 procent, sinds 2022 verdubbeld ten opzichte van voorheen.
- CPB: 1 tot 2 procent inkomensverlies voor een doorsnee huishouden, tot 6 procent voor lage inkomens met hoog energieverbruik.
- ESB/PLI: 1,3 procent CPI-inflatie versus 1,7 procent PLI-inflatie tussen 2014 en 2021, vooral door woonlasten.
Onzekerheid over het Midden-Oosten voedt verwachtingen
Het CBS constateert dat steeds meer mensen verwachten dat de inflatie gaat stijgen. Het bureau schrijft dat toe aan spanningen in het Midden-Oosten en zorgen over stijgende brandstofprijzen. Dat is een verwachting over de toekomst, geen vaststaand feit over de huidige prijsontwikkeling, maar het speelt wel mee in hoe mensen de huidige situatie inschatten.
Het CPB ziet vooralsnog geen aanleiding voor generieke steunmaatregelen zoals het energieprijsplafond dat in 2022 werd ingevoerd. Die inschatting wijst erop dat de huidige situatie beleidsmatig anders wordt gewogen dan de brede volksperceptie van 8 procent zou suggereren, terwijl tegelijk erkend wordt dat specifieke groepen wel degelijk zwaarder worden getroffen.
Enkele aspecten blijven onbeantwoord in het beschikbare materiaal. Er zijn geen vergelijkende cijfers over gevoelsinflatie versus officiële inflatie in andere Europese landen, waardoor onduidelijk is of de Nederlandse kloof uitzonderlijk groot is. Ook ontbreekt een directe, kwantitatieve koppeling tussen de PLI-index en de exacte hoogte van de 8 procent gevoelsinflatie; het verband is aannemelijk op basis van de beschikbare data, maar niet becijferd bevestigd. De rol van berichtgeving in het vormen van de perceptie wordt in de geraadpleegde bronnen niet onderzocht.
Voor beleidsmakers ligt de opgave in het onderscheid tussen het landelijke gemiddelde en de spreiding daarachter. Zolang generieke maatregelen uitblijven, bepaalt vooral het inkomen en het energieverbruik van een huishouden of de gevoelde 8 procent dichter bij de eigen werkelijkheid ligt dan het gemeten landelijke cijfer van 3 procent.
